Daniël Termont ontmoet Edith Ringnalda,
weduwe van dichter Simon Vinkenoog

02.04.2011

.

 

Daniël Termont opent 'Om Gent Gedicht' op 5de Nacht van de Poëzie in Kunstencentrum Vooruit

Daniël Termont heeft op zaterdagavond 2 april 2011 het onderdeel 'Om Gent Gedicht' (naar het gelijknamige bundel gedichten onder eindredactie van Guido Lauwaert) geopend. Hij deed dat op een bijzondere manier, inclusief de voordracht van 2 gedichten. Lees zijn toespraak hieronder.

 

Goedenavond, ‘vrienden van de poëzie’!

 

Zowaar: een politicus op uw bühne! Dat mag een verrassing heten, want schreef mijn beminde vriend Guido Lauwaert niet op 16 maart nog in het weekblad Knack, dat deze ‘Nacht van de poëzie’ óók ‘Een revolte [is] tegen de plundering van de cultuurbudgetten door de politici’?!

 

En toch: hoon mij niet weg! U heeft mij gevraagd - en wie mij vraagt, kan mij krijgen!

 

Want: geen 2 politici zijn dezelfde. En bovendien: in Gent geen hakbijl, in wat al te vaak verkeerdelijk tot ‘de hobby van de linkse intelligentsia’ wordt gereduceerd. Dit ‘culturele Belfort van Vlaanderen’ (treffende beeldspraak van, alweer, Guido Lauwaert) behoeft geen draak op de top, om zijn rechten en vrijheden te beschermen. Deze tempel heeft genoeg aan het ‘Kunst vereedelt’, dat in sierlijke letters boven de scène in de grote theaterzaal staat, om zijn bestaansreden onwrikbaar in onze klei te verankeren!

 

Vrienden, voor u staat een liefhebber van poëzie. Pablo Nerudo is mijn toeverlaat, mijn metgezel, mijn ‘compagnon de route’.

Neruda is pas 20 als hij zijn bundel ‘Twintig liefdesgedichten en een wanhoopslied’, met het prachtige Vannacht zou ik:

 

Vannacht zou ik zeer trieste verzen kunnen schrijven.

Bijvoorbeeld schrijven: 'De nacht is aan scherven gevallen,

en ver weg huiveren de sterren blauw'.

De nachtwind kolkt in de lucht en zingt.

Vannacht zou ik zeer trieste verzen kunnen schrijven.

Ik hield van haar, zij soms van mij.

In nachten als deze hield ik haar in mijn armen

en kuste haar zoveel en zoveel onder de eindeloze hemel

Ze hield van mij, ik soms van haar.

Hoe zou ik niet van haar grote, stille ogen hebben gehouden.

Vannacht zou ik zeer trieste verzen kunnen schrijven.

Te denken dat ze niet de mijne is. Te voelen dat ik haar verloor.

De onmetelijke nacht te horen, nog onmetelijker zonder haar,

het vers valt dan in de ziel als de dauw op de weiden.

Wat maakt het uit dat mijn liefde haar niet vasthield.

De nacht is aan scherven gevallen en ze is niet bij mij.

En dat is alles. In de verte zingt iemand. In de verte.

Mijn ziel is ontevreden omdat hij haar verloor.

M'n blik zoekt haar om haar naderbij te brengen.

Mijn hart zoekt haar en ze is niet bij me.

Het is dezelfde nacht die dezelfde bomen wit maakt.

Maar wij, die van vroeger, zijn niet meer dezelfden.

Zeker, ik hou niet meer van haar, maar hoeveel hield ik van haar.

M'n stem zocht de wind om haar oren te beroeren.

Van een ander, een ander, zal ze zijn. Zoals vóór mijn kussen.

Haar stem, haar helder lichaam, haar eindeloze ogen.

Zeker, ik hou niet meer van haar, maar misschien hou ik toch van haar.

De liefde is zo kort, het vergeten zo lang.

Want in nachten als deze hield ik haar in mijn armen,

mijn ziel vindt geen vrede omdat hij haar verloor.

Hoewel dit de laatste pijn is die zij mij doet lijden en dit de laatste verzen zijn die ik voor haar schrijf.


Vrienden, ik heb een missie: van Gent een duurzame, open en solidaire stad maken.

 

Een échte, waarachtige missie, in woorden gevangen - een sterk staaltje ‘managementpoezie’:

 

Gent, een scheppende stad, die door een doorgedreven bundeling van alle creatieve krachten, een voortrekkersrol speelt, in de totstandkoming van een duurzame, open en solidaire stad.’

 


 

Even jong als Neruda toén, is Wouter Rogiest nú – laureaat van de wedstrijd ‘Doe beter dan Richard’ [Minne] op Gentblogt in 2007, en auteur van de lofrede ‘Gent’ in ‘Om Gent Gedicht’:

 

‘Gent, kop en hart, ge zijt een schone stad,

met uw driekoppig vergezicht

over uw lint Leie heen.

Uw helling op de brug, verdikke,

waar gij uw stadse pracht

in een uitgelezen postkaart afficheert.

 

Ik ben er graag nabij

wanneer de avonden warmer worden.

De stenen kades aan de Leie

telen er gras en koren in hun naam.

We lengen de hitte en avond met fezelen,

grappen, en zelfs met teder zijn.

 

Maar Gent, ik die u ken,

ik vat u niet in uw embleem.

Gij masochist draagt graag een strop

naar één of ander oud verhaal.

Kan ik er aan doen

dat ‘k in u geen galgen zie?

Zelfs tijdens uw Feesten

blijft gij voor mij

die tedere kade koren en gras

waar wij uit elke leiband stappen.’

 


 

Vrienden, verzet bakens, breek muren met blote handen; laat uw woorden het enge grauw des mensen aan scherven slaan, en u zult zien: de wereld wordt écht een mooiere plek.

 

Geen betere plek om dáár mee te beginnen dan in Gent.
 

 

 

[©m&b2011]